Kerrie gaat naar de kapper
Kerrie's haren zijn te lang! Hij ziet bijna niets meer. Zijn haren hangen steeds voor zijn ogen... maar na een bezoek aan de hondenkapper kon Kerrie weer zien waar hij heen liep... en dat niet alleen...

Kerrie gaat naar de kapper
Kerrie lag languit op de keukenvloer. Zijn kop rustte op zijn voorpoten en tussen de lange haren boven zijn ogen gluurden twee donkere oogjes naar Krieltje.
Tenminste… Krieltje dacht dat daar zijn ogen zaten.
"Kerrie," zei ze, "kun jij eigenlijk nog wel iets zien?"
Kerrie tilde zijn kop op. Zijn haren bewogen mee en zakten daarna weer voor zijn ogen.
Francis zat op de vensterbank haar vacht te wassen. Camilia lag op een stoel en bekeek Kerrie aandachtig.
"Hij lijkt wel een wandelende dweil," zei Francis.
"Een lieve dweil," voegde Camilia eraan toe.
Kerrie snoof verontwaardigd. Daarna probeerde hij naar zijn waterbak te lopen, botste bijna tegen een tafelpoot en bleef geschrokken staan.
"Dat bedoel ik dus," zei Krieltje. "Het wordt tijd dat jij naar de kapper gaat."
Kerrie draaide zijn kop zo snel naar haar toe dat zijn haren even opzij vlogen. Eén oog werd zichtbaar.
"Waf?"
"Naar de hondenkapper," zei Krieltje. "Je wordt gewassen en geborsteld. De haren rond je ogen en pootjes worden netjes bijgewerkt en ze kijkt meteen even naar je nagels en oren."
Kerrie schoof langzaam achteruit.
"Je wordt niet kaal," stelde Krieltje hem gerust. "Je blijft gewoon onze ruige Kerrie."
De deurbel ging. Kluitje stond voor de deur. Hij zou met zijn auto meegaan, want Kerrie mocht na zijn bezoek lekker schoon en veilig terug naar huis.
"Is de klant er klaar voor?" vroeg Kluitje.
Kerrie liep onmiddellijk achter de keukentafel en deed alsof hij niet bestond.
Kluitje knielde bij hem neer. "Ik begrijp het wel. Ik vind de kapper soms ook spannend. Je weet nooit precies hoeveel haar er nog op je hoofd zit wanneer je weer naar buiten komt."
"Dat helpt niet echt," zei Krieltje.
"Sorry."
Krieltje pakte Kerrie's riem en zijn rood-wit gestippelde sjaaltje. "Kom maar, jongen. We blijven bij je zolang dat mag."
Na een koekje besloot Kerrie toch mee te gaan.
In de auto zat hij met zijn veilige autotuig vast op de achterbank. Hij keek ernstig tussen Krieltje en Kluitje door. Bij iedere bocht zuchtte hij alsof hij naar een heel gevaarlijke bestemming werd gebracht.
De hondentrimsalon heette De Blije Staart. Achter de balie stond een vriendelijke vrouw met een schort vol kleine hondenpootjes.
"Ik ben Roos," zei ze. "En jij moet Kerrie zijn."
Kerrie ging dicht tegen Krieltjes benen staan.
Roos hurkte op een klein stukje afstand. Ze greep hem niet meteen vast, maar liet hem rustig aan haar hand ruiken.
"Wat een knappe ruwharige jongen," zei ze. "We gaan eerst je vacht bekijken. Daarna borstelen en wassen we je. Alleen waar het nodig is werken we de haren een beetje bij. Jij moet natuurlijk wel Kerrie blijven."
Kerrie keek even naar Krieltje.
"Zie je wel?" zei ze. "Geen kale Kerrie."
Eerst werd hij voorzichtig geborsteld. Uit zijn vacht kwamen losse haren, een droog blaadje, twee grassprietjes en iets wat ooit misschien een klein takje was geweest.
Roos hield het omhoog. "Heb jij soms een halve tuin meegenomen?"
Kerrie kwispelde voorzichtig.
"Dat zou best kunnen," zei Kluitje. "Hij brengt veel tijd op de moestuin door."
Daarna kwam het bad.
Kerrie zette zijn vier poten stevig neer. Zijn gezicht vertelde heel duidelijk dat hij wassen een vreemd idee vond. Water was volgens hem bedoeld om uit te drinken, in te zwemmen of doorheen te rennen. Niet om met zeep over zijn rug gegoten te worden.
"Het water is lekker lauw," zei Roos.
Kerrie keek haar aan alsof dat het probleem niet oploste.
Krieltje bleef rustig bij hem praten. Roos gebruikte speciale hondenshampoo en zorgde dat er geen water in zijn ogen of oren kwam. Langzaam veranderde het water onder zijn poten van lichtbruin naar helder.
"Was ik zó vies?" leek Kerrie te vragen.
"Je was avontuurlijk," zei Krieltje. "Dat klinkt vriendelijker."
Toen kwam de handdoek. Dat vond Kerrie veel beter. Hij liet zich uitgebreid droogwrijven en leunde zo hard tegen Roos aan dat zij bijna op een krukje moest gaan zitten.
Maar daarna verscheen de föhn.
Ffffffwoeeee!
Kerriers oren waaiden naar achteren. Zijn haren vlogen omhoog en zijn staart werd tweemaal zo dik. Krieltje sloeg een hand voor haar mond.
Kluitje probeerde ernstig te blijven. Dat lukte ongeveer drie seconden.
"Kerrie," zei hij, "je lijkt wel een zandkleurige paardenbloem."
Kerrie keek beledigd.
Roos zette de föhn zachter en liet hem eerst rustig wennen. Even later stond Kerrie tevreden in de warme lucht. Zijn vacht werd steeds luchtiger.
Roos knipte voorzichtig enkele lange haren rond zijn ogen en pootjes bij. Ze controleerde zijn oren en maakte zijn nagels netjes. Zijn ruige vacht bleef gewoon behouden.
"Zo," zei ze uiteindelijk. "Klaar."
Kerrie keek in de lage spiegel.
Hij stapte dichterbij.
De hond in de spiegel was schoon en zacht. Zijn ogen waren weer goed zichtbaar, maar zijn haren zaten nog steeds een beetje eigenwijs. Precies zoals het bij Kerrie hoorde.
Hij draaide zijn kop naar links. De spiegelhond deed hetzelfde.
Daarna kwispelde hij.
"Volgens mij keurt hij zichzelf goed," zei Kluitje.
Krieltje deed zijn rood-wit gestippelde sjaaltje weer om. "Nu ben je helemaal onze Kerrie."
Op weg naar huis zat Kerrie rechtop op de achterbank. Deze keer zuchtte hij niet. Hij keek door het raam alsof hij hoopte dat iedereen hem zou zien.
Thuis zaten Francis en Camilia al achter de voordeur te wachten.
Kerrie stapte trots naar binnen.
De poezen kwamen onmiddellijk dichterbij. Francis rook aan zijn ene poot. Camilia onderzocht zijn andere kant.
Daarna gingen ze naast elkaar zitten.
"Wie bent u?" vroeg Francis.
Kerrie verstijfde.
"Hij ruikt naar bloemen," zei Camilia. "Onze Kerrie ruikt normaal naar gras, aarde en soms een heel klein beetje naar sloot."
Kerrie blafte één keer.
Francis spitste haar oren. "O… hij klinkt wel als Kerrie."
Kerrie draaide zich om en liet zijn rood-wit gestippelde sjaaltje zien.
"Het ís Kerrie!" riep Camilia. "Maar dan gewassen!"
Kerrie liep naar zijn kussen, draaide drie rondjes en ging liggen. Francis en Camilia kwamen naast hem zitten. Ze roken nog één keer aan zijn zachte vacht.
"Eigenlijk ben je best mooi," zei Francis.
Kerrie sloot tevreden zijn ogen.
Krieltje aaide hem over zijn kop. Zijn haren waren kort genoeg om zijn ogen te kunnen zien, maar nog lang genoeg om heerlijk doorheen te woelen.
"En?" vroeg Kluitje. "Ga je de volgende keer weer mee naar de kapper?"
Kerrie dacht even na.
Toen keek hij naar het zakje hondenkoekjes dat Roos had meegegeven en kwispelde.
Krieltje glimlachte. "Ik denk dat dit een ja is."
Vanaf die dag hoefde Krieltje niet meer te zoeken waar Kerriers ogen zaten.
Al bleef er na een middag spelen in de tuin meestal wel weer ergens een grassprietje in zijn vacht hangen.
Maar dat hoorde gewoon bij Kerrie.
