Krieltje en het buitenaards wezentje

07-07-2026

Oei wat is dat in de tuin? Een buitenaards wezentje? Welnee... maar wat is het dan wel?

Krieltje en het buitenaards wezentje

07-07-2026

Krieltje stond doodstil tussen de bloemen. Voor haar bewoog iets groens. Het had twee bolle ogen. Een puntige kop. Zes dunne pootjes. En het kwam langzaam haar kant op. Krieltje slikte. "Kerrie," fluisterde ze. "Volgens mij hebben we bezoek. Uit de ruimte." Kerrie stond achter haar benen. Dat deed hij anders nooit. Meestal wilde hij overal als eerste aan snuffelen. Noa zat iets verderop in het gras. Heel rechtop. Heel rustig. Alsof ze altijd al had geweten dat er ooit een buitenaards wezentje in de tuin zou landen. Het groene ding wiebelde. De twee bolle ogen keken recht naar Krieltje. Tenminste… dat dacht ze. "Kluitje?" riep Krieltje voorzichtig. Kluitje kwam aangelopen, bleef naast haar staan en keek naar het groene wezen. Hij knipperde. "Dat," zei hij langzaam, "is bijzonder." "Zie je wel," fluisterde Krieltje. "Een buitenaards wezentje." Het groene ding zette weer een stapje. Of eigenlijk zes piepkleine stapjes tegelijk. "Hallo?" zei Krieltje. Het groene ding stopte. Onder het blad klonk een heel klein stemmetje. "Wilt u niet tegen mijn bagage praten?" Krieltje sperde haar ogen open. "Kluitje," fluisterde ze. "Het praat." "Volgens mij," zei Kluitje, "praat de bagage terug." Het blad begon te wiebelen. Toen verscheen er onder de groene punt een kleine zwarte mier. Hij droeg het blad op zijn rug alsof het een reusachtige jas was. Twee ronde bobbels op het blad zaten precies op de plek waar ogen zouden kunnen zitten. Krieltje ademde uit. "O," zei ze. "Jij bent geen buitenaards wezen." De mier keek beledigd. "Natuurlijk niet. Ik ben Arnold." "Arnold?" zei Krieltje. "Arnold de mier," zei de mier. "Transportafdeling." Kluitje boog iets voorover. "En dat blad?" "Vond ik onderweg," zei Arnold. "Mooi stevig. Goede vorm. Alleen kijkt iedereen er raar naar." "Dat komt door die ogen," zei Krieltje. Arnold draaide een beetje. "Welke ogen?" Krieltje wees naar de twee bobbels op het blad. "Die." Arnold keek omhoog. Dat ging niet zo goed, want het blad lag op zijn rug. Hij draaide nog een rondje en botste bijna tegen een grasspriet. "Dat zijn geen ogen," zei hij. "Dat zijn bobbels." "Gallen," zei Kluitje. Krieltje keek op. "Gallen?" Kluitje knikte. "Dat zijn kleine groeisels op een blad. Soms maakt een plant die omdat een insectje of mijtje erin heeft geprikt of er een eitje bij heeft gelegd." Krieltje hurkte neer. "Dus het blad heeft geheime kamertjes?" "Een beetje wel," zei Kluitje. Arnold stond stil. "Wacht even. Draag ik een huis met mij mee?" "Misschien een oud kamertje," zei Krieltje. "Dat moeten we voorzichtig bekijken." Arnold liet het blad meteen zakken. "Als er bewoners in zitten, wil ik niet onbeleefd zijn." Kerrie kwam nu toch een stap dichterbij en snoof voorzichtig aan het blad. Daarna nieste hij zo hard dat Arnold op zijn achterste viel. "Gezondheid," zei Arnold streng. "Sorry," zei Krieltje en ze aaide Kerrie over zijn kop. Noa liep langzaam dichterbij. Ze keek naar het blad, naar Arnold en naar Krieltje. "Geen buitenaards wezen," zei Krieltje. Noa knipperde één keer, alsof ze wilde zeggen: dat wist ik allang. Krieltje pakte een dun takje en schoof het blad voorzichtig op een platte steen. Iedereen boog zich eromheen. De muizen kwamen kijken. Een slak kwam kijken, maar was iets later. De veenmol kwam ook even boven de grond, met zijn stevige graafpootjes voor zich. "Een buitenaards wezen?" vroeg de veenmol hoopvol. "Nee," zei Krieltje. "Gallen." "O," zei de veenmol. "Ook spannend." Krieltje keek naar de twee ronde bobbels. Nu ze wist wat het waren, zagen ze er minder eng uit. Eigenlijk waren ze best mooi. Alsof de plant zelf kleine bolletjes had gebouwd. "De natuur maakt vreemde dingen," zei Krieltje. "En soms lijken die vreemde dingen op buitenaardse wezentjes," zei Kluitje. Arnold stak één voorpoot op. "Voor de duidelijkheid: ik zag er vanmorgen heel normaal uit." "Dat geloof ik meteen," zei Krieltje. Arnold keek naar het blad. "Mag ik het nog gebruiken?" Krieltje dacht even na. "Alleen als je er voorzichtig mee bent. En als het te zwaar is, vraag je hulp." Arnold zette zijn poten stevig neer. "Mieren vragen geen hulp." Op dat moment probeerde hij het blad weer op te tillen. Hij kreeg het net drie centimeter omhoog, wiebelde naar links, wiebelde naar rechts en zakte langzaam door zijn knieën. "Transportafdeling vraagt soms ondersteuning," zei hij. De muizen gniffelden. Krieltje pakte een kleiner stukje blad dat ernaast lag. "Deze is misschien beter." Arnold bekeek het. Het had geen buitenaardse ogen, maar het was groen, stevig en precies groot genoeg. "Perfect," zei hij. "Veel minder buitenaards." Hij hees het kleinere blad op zijn rug en liep ermee richting het mierennest. Krieltje keek hem na. Kerrie stapte weer stoer naast haar alsof hij nooit bang was geweest. Noa ging zitten in het gras. Kluitje glimlachte. "Dus geen buitenaards wezen vandaag." Krieltje keek naar het blad met de twee gallen op de steen. "Nee," zei ze. "Maar wel een blad dat heel goed kon doen alsof."


Share