Krieltje en de mier die was verdwaald
Wat horen ze nou? Er zit iets te sniffen... waar komt dat toch vandaan? Er zit een verdwaald miertje achter de tafelpoot te sniffen... hij is zijn familie kwijt. Gelukkig kunnen Krieltje en Kluitje helpen.

Krieltje en de mier die was verdwaald
Krieltje zat aan het tafeltje bij haar moestuinhuisje. Voor haar stond een beker drinken en naast haar lag Kerrie languit in het gras. Francis zat zichzelf te wassen alsof ze straks naar een koninklijk feest moest. Camilia lag half in de schaduw van een bloempot en Noa was ergens op het pad bezig met heel belangrijk tuinpoezenwerk. Ineens hoorde Krieltje iets. Heel zacht. "Snif… snif…" Krieltje keek op. "Hoorde jij dat ook, Kerrie?" Kerrie tilde één oor op. "Snif… hihihik…" Krieltje zette haar beker neer. "Er huilt iemand." Ze keek onder de tafel. Niets. Ze keek achter de stoel. Niets. Ze keek tussen de potten, onder het bankje en zelfs achter de gieter. "Hallo?" zei Krieltje zacht. "Waar ben je?" Het bleef even stil. Toen klonk het weer. "Snif…" "Nou," zei Krieltje, "dat is dus niet de wind." Kerrie stond op en begon voorzichtig te snuffelen. Niet wild, want Krieltje had hem geleerd dat kleine dieren geen stormneus nodig hadden. Hij snuffelde bij de tafelpoot. Toen bij het stoelpootje. Toen bij Krieltjes laars. "Nee Kerrie," zei Krieltje. "Ik huil niet. Al vind ik het wel heel zielig." Ze zocht nog eens. Maar hoe goed ze ook keek, ze kon niemand vinden. "Kerrie," zei ze toen. "Wil jij Kluitje halen?" Kerrie keek meteen wakker. "Rustig lopen," zei Krieltje. "Niet alsof de wereld in brand staat." Kerrie deed alsof hij dat heel goed begreep en rende vervolgens toch bijna alsof de wereld in brand stond naar de tuin van Kluitje. Even later kwam Kluitje met hem mee. "Wat is er aan de hand?" "Er huilt iemand," zei Krieltje. "Maar ik kan niet vinden wie." Kluitje werd meteen serieus. "Dan moeten we een zoekploeg maken." Dat hoefde hij geen tweede keer te zeggen. Kerrie snuffelde laag bij de grond. Camilia keek tussen de bloempotten. Francis liep met kleine deftige stapjes rond de tafel. Noa kwam ook kijken, maar deed dat alsof ze toevallig toch al die kant op wilde. "Allemaal rustig," zei Krieltje. "Het is vast iemand kleins." Toen gebeurde het. "IEEEEEEE!" Francis sprong recht omhoog. Niet een klein beetje. Echt zo'n sprong waarbij zelfs haar snorharen even niet wisten waar ze moesten blijven. Krieltje draaide zich om. "Francis?" Francis stond stokstijf naast de tafelpoot. Haar hoofd hield ze ver naar achteren, alsof ze wilde zeggen: joh, wat kun jij een herrie maken voor zoiets kleins. Kluitje hurkte voorzichtig bij haar neer. "Aha," zei hij zacht. "Oorzaak gevonden." Achter de tafelpoot stond een heel klein zwart miertje. Hij drukte zich tegen het hout aan met zijn hoofd naar de poort, alsof hij dacht: ik ben er niet, jullie zien mij niet, ik ben gewoon een stipje schaduw. Krieltje ging op haar knieën zitten. "Hallo daar." Het miertje trilde van top tot teen. Nou ja, van voelspriet tot pootje. "Ik wilde niet gillen," piepte hij. "Maar toen kwam er ineens een hele grote zwart-witte berg met ogen." Francis keek beledigd. "Ik ben geen berg," zei ze. "Voor hem wel," zei Kluitje. Krieltje glimlachte. "Hoe heet je?" Het miertje snoof. "Eduwardus." Kluitje knipperde even. "Eduwardus?" "Maar iedereen zegt Eduward," fluisterde het miertje. "Als ze me tenminste kunnen vinden." "Ben je verdwaald, Eduward?" vroeg Krieltje. Eduward knikte zielig. "Ik wilde alleen even weten wat er achter de tafelpoot was." "En?" vroeg Kluitje. Eduward slikte. "Nog meer tafelpoot. En daarna wist ik de weg niet meer." "Dan zoeken we je familie," zei Krieltje. Eduward keek op. "Echt?" "Natuurlijk echt," zei Krieltje. "Niemand blijft alleen achter een tafelpoot wonen. Dat is veel te ongezellig." Ze pakte een blaadje en liet Eduward erop klimmen. Kerrie liep ernaast alsof hij de officiële beveiliging was. Francis liep op veilige afstand mee, want zij had voor vandaag genoeg mierengeluid gehoord. Camilia liep nieuwsgierig achteraan en Noa wandelde mee alsof ze de route al lang kende. Het eerste mierennest vonden ze bij de rand van het pad. Er liepen zwarte werkmieren heen en weer met stukjes blad en zand. "Hallo," zei Krieltje. "Missen jullie misschien een Eduward?" Een werkmier met een piepklein schortje keek op. "Eduward? Nee hoor. Wij hebben drie Mina's, twee Betsen en een tante Truus, maar geen Eduward." Eduward keek teleurgesteld. "Geeft niets," zei Kluitje. "Dan zoeken we verder." Bij het tweede nest werd het ingewikkelder. Daar woonden rode mieren. Een rode werkmier kwam naar buiten met haar pootjes in haar zij. "Wat komt u doen?" Krieltje wees op Eduward. "Wij zoeken zijn kolonie." De rode mier keek Eduward van boven tot onder aan. "Die is niet van ons." Eduward keek naar zijn zwarte lijfje. "Dat dacht ik ook al." "Succes," zei de rode mier. "En blijf op het pad. Wij zijn druk." "Stevige tante," fluisterde Kluitje. "Zeker weten," zei Krieltje. Ze zochten verder. Langs de bloempot. Langs de regenton. Langs het houten kistje bij het huisje. Eduward werd steeds stiller. "Misschien vinden ze me niet meer terug," zei hij. Krieltje hield het blaadje iets dichter bij zich. "Wij geven niet zomaar op." Toen hoorde Noa ineens iets bij de hoek van het tuinhuisje. Ze bleef staan. Niet met een mrrp, niet met een miauw, maar met een blik alsof ze zei: daar moet je wezen. Krieltje keek naar de grond. Daar liep een hele rij zwarte mieren. Allemaal druk. Allemaal stevig. Sommige droegen zandkorrels. Eén had een zaadje. Een andere had een stukje droog grassprietje op haar schouder alsof het een ladder was. Toen zag één van de werkmieren Eduward. Ze liet bijna haar zandkorrel vallen. "Eduwardus!" In één tel stond de halve kolonie stil. "Eduwardus is terug!" riep iemand. "Waar heb jij gezeten?" riep een werkmier met een hoofddoekje. "Wij hebben overal gezocht!" zei een andere, die haar schortje recht trok. "Zelfs bij de compostrand!" riep een derde. "En daar ruikt het naar avontuur én gevaar." Eduward kroop langzaam van het blaadje af. "Ik wilde alleen even kijken wat er achter de tafelpoot was." De werkmieren keken hem streng aan. "En?" vroeg de mier met het hoofddoekje. Eduward keek naar zijn zes pootjes. "Daar was vooral veel tafelpoot." Het bleef even stil. Toen begonnen de werkmieren allemaal tegelijk te praten. Ze waren boos. En opgelucht. En blij. En boos omdat ze zo blij waren. Dat kon blijkbaar allemaal tegelijk. Krieltje begreep dat wel. De werkmier met het schortje stapte naar Krieltje toe. "Dank u wel dat u hem teruggebracht heeft." "Graag gedaan," zei Krieltje. "Hij was erg bang." "Dat mag ook," zei de werkmier. "Maar de volgende keer zegt hij eerst waar hij naartoe gaat." Eduward knikte snel. "Ja." "En niet alleen achter tafelpootgebieden," zei een andere mier. "Nee," zei Eduward. Kluitje fluisterde: "Tafelpootgebieden klinkt wel officieel." Krieltje grinnikte. Eduward keek nog één keer om. "Dag Krieltje. Dag Kluitje. Dag grote snuffelhond. Dag zwart-witte berg." Francis kneep haar ogen samen. "Poes," zei ze. "Dag poes," zei Eduward snel. Toen verdween hij tussen de werkmieren. Meteen kreeg hij een klein kruimeltje te dragen, waarschijnlijk zodat hij geen tijd had om weer ergens achter te gaan kijken. Krieltje stond op. "Nou. Dat was een hele zoektocht." Kluitje keek naar de tafelpoot. "Best bijzonder dat een avontuur zo klein kan beginnen." Kerrie snuffelde nog één keer aan de grond. Francis ging weer zitten en begon haar borst te wassen, heel waardig, alsof ze helemaal niet gegild had. Camilia keek naar de rij mieren en tikte voorzichtig met haar staartpunt in het gras. Noa liep terug naar haar plekje in de zon. Krieltje pakte later een klein stukje hout en schreef erop: Niet verdwalen achter tafelpootgebieden. Ze zette het bordje bij de tafel. Kluitje keek ernaar. "Denk je dat dat helpt?" Op dat moment kwam Eduward heel even uit het nest, las het bordje en riep: "Heel duidelijk!" Daarna verdween hij weer. Krieltje glimlachte. "Ja," zei ze. "Ik denk het wel."
