Krieltje en de regenworm met hoogtevrees
Wat is dat nou? Het hele huis trilt en schommelt? De regenworm weet niet wat hem overkomt. Maar gelukkig wordt hij geholpen en heeft het een goede afloop...

Krieltje en de regenworm met hoogtevrees
22-07-2026
Krieltje was bezig in haar volkstuin. Naast haar stond een emmer vol onkruid, oude wortels en losse aarde. Kluitje hielp mee. Hij trok een kluit wortels uit de grond en schudde er voorzichtig aan om de aarde eraf te halen. De meeste aarde viel terug in de tuin. Maar aan één kluitje bleef hardnekkig wat aarde hangen. "Deze geeft niet zomaar op," zei Kluitje. Hij schudde nog een keer. Er viel bijna niets meer af. Dus legde hij de kluit, met het laatste beetje aarde, in de emmer. Wat hij niet wist, was dat diep verstopt tussen de worteltjes een regenworm zat. De regenworm had zich stevig om een paar wortels gekruld. "Wat gebeurt hier?" mompelde hij. "Aardbeving? Wortelstorm? Ondergrondse verhuizing?" Toen de emmer vol was, pakte Kluitje hem op. "Deze kan naar de composthoop," zei Kluitje. Hij liep naar de composthoop, die al aardig hoog begon te worden. Er lagen grassprietjes, bladeren, uitgebloeide bloemen, oude plantenstengels en keukenrestjes die later weer mooie aarde mochten worden. "Past nog best," zei Kluitje. Hij kiepte de emmer leeg boven op de hoop. Plok! Daar lag de kluit met wortels. En daarin zat de regenworm. Eerst bleef hij heel stil liggen. Zijn wereld had gerommeld, geschud, gezwaaid en toen ineens gestopt. Hij moest even bijkomen. Langzaam liet hij één worteltje los. Toen nog één. "Is iedereen nog heel?" fluisterde hij. Niemand antwoordde. Voorzichtig schoof hij een stukje naar voren. Hij verwachtte aarde. Fijne, donkere, veilige aarde. Maar toen hij zijn kopje uit de kluit stak, zag hij lucht. Heel veel lucht. Onder hem lag de composthoop. Naast hem ging het een stukje naar beneden. Verderop zag hij de tuin. De bloemen. Het paadje. Krieltje. Kluitje. Kerrie. De regenworm verstijfde. "Ooooooh nee," piepte hij. "Ik ben boven." Hij wilde terug. Maar achter hem zaten de wortels in de weg. Hij wilde vooruit. Maar vooruit was veel te open. Hij wilde naar beneden. Maar beneden was… beneden. En dat was precies het probleem. De regenworm trilde een beetje. Niet op zijn benen, want die had hij niet. Maar als hij benen had gehad, hadden ze zeker getrild. Even later kwam Krieltje met een nieuwe volle emmer aan. Ze wilde hem net boven op de composthoop leeggooien, toen ze ineens iets zag bewegen. "Wacht eens even," zei ze. Kluitje bleef meteen staan. "Wat is er?" Krieltje zette de emmer voorzichtig neer en boog zich naar de composthoop. Daar zat hij. Een klein regenwormpje, boven op de composthoop, stijf als een takje. Nou ja, als een heel zacht takje. Gelukkig was Kipje net aan de andere kant van de tuin aan het scharrelen. Daar had ze iets gevonden wat volgens haar veel interessanter was dan een composthoop: een blaadje dat verdacht veel op een pannenkoek leek. "Och," zei Krieltje. "Daar zit nog iemand." "Hij beweegt bijna niet," fluisterde Kluitje. "Ik kan bewegen," piepte de regenworm, "maar ik kan nergens heen." Krieltje leunde voorzichtig iets dichter naar de composthoop. "Ben je geschrokken?" "Geschrokken?" zei de regenworm. "Ik ben per ongeluk naar de bovenwereld verhuisd!" Kluitje keek naar de composthoop. "Volgens mij heeft hij hoogtevrees." "Hoogtevrees?" zei de regenworm. "Ik? Nee hoor. Ik ben een regenworm. Wij wonen laag. Dat is gewoon verstandig." Krieltje knikte ernstig. "Heel verstandig." "Maar ik wil nu graag weer laag," zei de regenworm. "Heel graag. Zo laag mogelijk. Liefst gisteren." Krieltje dacht even na. Ze wilde hem niet zomaar met droge vingers oppakken. Regenwormen zijn gevoelig en hun huid moet vochtig blijven. Dus pakte ze een oud blaadje, maakte het een beetje nat met water uit haar gietertje en legde het voorzichtig naast hem neer. "Stap maar op het blaadje," zei ze zacht. "Dan brengen wij je naar beneden." De regenworm keek naar het blaadje. "Is het stevig?" "Voor een worm wel," zei Kluitje. "Geen snelle bochten?" vroeg de regenworm. "Geen snelle bochten," zei Krieltje. "Geen sprongen?" "Zeker geen sprongen." "En geen vogel?" Kerrie keek meteen streng omhoog, alsof hij alle vogels persoonlijk wilde vertellen dat dit geen snackmoment was. "Geen vogel," zei Krieltje. Heel voorzichtig schoof de regenworm op het natte blaadje. Krieltje tilde het blaadje langzaam op. Zo langzaam dat zelfs een slak zou zeggen: schiet eens op. Kluitje liep naast haar mee met zijn handen klaar, voor het geval het blaadje ineens avontuurlijk zou worden. Ze brachten de regenworm naar een veilig, donker plekje onder de bessenstruik. Daar was de aarde zacht en vochtig. Krieltje maakte met haar vinger een klein geultje. "Daar," zei ze. "Thuis beneden." De regenworm gleed van het blaadje af en kroop meteen half de aarde in. Toen stak hij nog één stukje van zichzelf naar buiten. "Dank u," zei hij. "Ik waardeer het uitzicht. Maar ik hoef het voorlopig niet meer." "Dat snap ik," zei Krieltje. Kluitje keek naar de composthoop. "Vanaf nu kijken we nóg beter tussen de wortels." "Ja," zei Krieltje. Onder de bessenstruik kroop de regenworm tevreden dieper de aarde in. "Bovenwereld bezocht," mompelde hij. "Veel te ruim. Wel vriendelijke mensen."
