Krieltje en de vis die de tuin wilde zien
Een vis uit de sloot naast de tuin van Krieltje hoorde zoveel mooie verhalen over de tuin. De vis wilde het zo graag zelf zien. Krieltje heeft een idee...

Krieltje en de vis die de tuin wilde zien
21-07-2026
In de sloot naast Krieltjes tuin woonde een vis. Niet zomaar een vis. Een nieuwsgierige vis. Elke dag hoorde hij verhalen. De kikkers vertelden over klaprozen die rood waren als kleine vlaggetjes. De eenden kwaakten over het gras. De libellen riepen dat Krieltjes huisje donkergroen was, met witte randjes en een rode deur. Zelfs de slakken hadden het steeds over hun slakkenwalhalla. De vis luisterde en luisterde. Maar hij zag alleen water. Riet. Wolken die op hun kop in de sloot dreven. En soms de onderkant van een eend. Op een ochtend hield hij het niet meer uit. "Ik wil die tuin zien," zei hij. Een kikker op een waterlelieblad knipperde met zijn ogen. "Dat lijkt me onverstandig." "Ik kijk alleen even," zei de vis. En voor iemand hem kon tegenhouden, nam hij een grote zwiep met zijn staart. Plop. Daar lag hij. Op de kant. Naast de sloot. In het gras. De vis spartelde. "O," zei hij. "Dit is droger dan ik dacht." Kerrie lag verderop in de tuin, maar schoot meteen overeind. Hij rende naar de sloot, bleef stokstijf staan en blafte toen zo hard dat Noa op haar stoel overeind kwam alsof iemand haar middagdutje had gestolen. "WAF! WAF! WAF!" Krieltje kwam aangerend. "Kerrie, wat is er?" Toen zag ze de vis. "O nee!" Ze pakte hem voorzichtig met twee natte handen op en zette hem meteen terug in de sloot. De vis maakte drie rondjes onder water. Daarna stak hij zijn kop net boven het oppervlak. "Dank u," blubde hij. Krieltje ging op haar knieën bij de waterkant zitten. "Je kunt toch niet zomaar op de kant springen." "Ik wilde de tuin zien," zei de vis. "Iedereen praat erover." Krieltje zuchtte. Niet boos. Wel geschrokken. "Dat snap ik," zei ze. "Maar als je geen poten hebt en geen longen voor lucht, moet je zulke plannen eerst even overleggen." De vis keek naar zijn vinnen. "Daar zit wat in," zei hij. Kerrie stond naast Krieltje en hijgde nog na van het blaffen. Hij keek heel trots. Alsof hij persoonlijk de hele sloot had gered. Krieltje dacht na. Een vis op de kant was geen goed idee. Maar een vis die de tuin wilde zien… dat was eigenlijk best bijzonder. "Ik heb misschien een oplossing," zei ze. Even later kwam Krieltje terug met een stevig karretje. Daarop zette ze een grote doorzichtige bak. Geen glazen bak, want dat vond ze te gevaarlijk. Deze was van stevig kunststof en kon tegen een stootje. Ze vulde de bak met schoon water uit de sloot. Niet te warm. Niet te koud. Gewoon slootwater, precies zoals de vis gewend was. Daarna pakte ze een schepnetje. "Rustig blijven," zei ze. "Dat zeg ik normaal tegen mezelf," zei de vis. Voorzichtig schepte Krieltje hem uit de sloot en liet hem meteen in de bak glijden. Plons. De vis keek door de doorzichtige wand naar buiten. "Ooooooh," zei hij. Krieltje ging gehurkt naast de bak zitten. "Gaat het goed met je?" De vis draaide langzaam een rondje door het water. "Ja," blubde hij. "Het is alleen heel gek. Ik ben in het water, maar toch niet in de sloot." "Dat klopt," zei Krieltje. "Je zit nu in een veilige kleine sloot op wielen. Maar als je duizelig wordt, of bang, dan zeg je het meteen. Dan breng ik je terug." "Afgesproken," zei de vis. "Wat wil je graag zien?" vroeg Krieltje. De vis dacht diep na. Dat zag er bij een vis vooral uit als heel stil hangen. "De klaprozen," zei hij toen. "En het donkergroene huisje met de rode deur. En het slakkenwalhalla. En de pomp waar iedereen het altijd over heeft." "Dat is een hele lijst," zei Krieltje. "Ik heb lang onder water gewacht," zei de vis. "Dan krijg je veel ideeën." Kerrie liep naast het karretje als officiële visbewaker. Zijn staart stond fier omhoog. Bij de klaprozen bleef Krieltje staan. "Dit zijn ze." De vis drukte zijn neus bijna tegen de bak. "Ze zijn echt rood," zei hij. "Ik dacht dat de kikkers overdreven." "Dat doen ze ook," zei Krieltje. "Maar niet altijd." Bij het slakkenwalhalla kwamen drie slakken nieuwsgierig dichterbij. "Dus dit is jullie restaurant?" vroeg de vis. "En logeerplek," zei een slak. "Wij hebben alleen waterplanten." zei de vis. "Ook mooi," zei Krieltje. Bij de compostbak stond Kipje te scharrelen. Ze keek naar de vis in de bak. "Leg jij eieren?" vroeg Kipje. De vis dacht even na. "Niet zoals jij." Kipje knikte ernstig. "Dan laat ik het daarbij." Camilia kwam voorzichtig dichterbij, maar Krieltje stak haar hand op. "Alleen kijken." Camilia ging zitten alsof ze dat zelf ook al bedacht had. In Krieltjes tuin kon blijkbaar alles. Bij de waterpomp bleef de vis lang kijken. "Is dat de pomp?" vroeg hij. "Ja," zei Krieltje. "Daarmee halen we een beetje water uit de sloot. Netjes. En alleen wat we nodig hebben." De vis dacht even na. "Dan keur ik het voorlopig goed." Aan het eind van de rondleiding duwde Krieltje het karretje terug naar de sloot. "En?" vroeg ze. "Was de tuin zoals je dacht?" De vis draaide een rondje in de bak. "Nee," zei hij. "Veel groter. Veel droger. En veel meer poten." Krieltje lachte. Daarna schepte ze hem voorzichtig met het netje uit de bak en liet hem terugglijden in de sloot. Plons. De vis zwom een stukje weg, kwam toen terug en blubde: "Volgende keer vraag ik eerst." "Dat lijkt me verstandig," zei Krieltje. Kerrie gaf één tevreden blafje. De vis dook onder water en verdween tussen het riet. Krieltje glimlachte. Veilig thuis. Dat was het belangrijkst.
