7. Krieltje en de zonopkomst
Uit de Krieltjes zomerboekje reeks : Heel vroeg in de ochtend gaan Krieltje, Kluitje en Kerrie de duinen in om de zon op te zien komen. Wat ze daar meemaken is zo magisch...

Uit de Krieltjes zomerboekje reeks :
7. Krieltje en de zonopkomst
Het was half zes in de ochtend toen Krieltje, Kluitje en Kerrie het bankje in de duinen vonden. De zon was er nog niet, maar de lucht verklapte al dat ze onderweg was. Alles was blauwgrijs. Het zandpad. Het helmgras. De struiken. Zelfs Kerrie leek een beetje zachter van kleur. Links achter de duinen lag de zee, verstopt achter zand en helmgras. Voor hen golfden alleen de duinen, zacht en mooi in het eerste licht. Kluitje had hen met zijn auto naar Langervelderslag gebracht. Niet omdat het ver lopen was, maar omdat half zes in de ochtend voor fietsen wel héél erg vroeg voelde. "Dit is een goed bankje," fluisterde Krieltje. "Een heel stil bankje," fluisterde Kluitje terug. Kerrie zat naast het bankje bij Krieltjes voeten. Zijn oren stonden een beetje scheef en zijn ogen waren groot. Zelfs hij leek te begrijpen dat je sommige momenten niet moest opschudden. Krieltje trok haar vest wat dichter om zich heen. Het was niet koud-koud, maar wel ochtendkoud. Zo'n kou die tussen je mouwen kruipt en daarna langzaam verdwijnt zodra de dag begint. Eerst leek er niets te gebeuren. Alleen de wind bewoog voorzichtig door het helmgras. Toen hoorde Krieltje een vogel. Eén klein geluidje maar. Daarna nog één. En nog één. "Ze zijn wakker," fluisterde ze. Kluitje knikte. "Volgens mij waren zij eerder dan wij." Krieltje dacht dat ze heel vroeg was. Maar de duinen wisten allang dat de dag eraan kwam. Toen gebeurde er iets bijzonders. Er landde een kraai op de leuning van het bankje. Niet ver weg. Niet ergens boven in een struik. Gewoon naast hen. Krieltje hield haar adem bijna in. De kraai keek heel even naar haar. Daarna draaide hij zijn kop naar de lichte rand boven de duinen. Kerrie bewoog niet. Dat was knap. Heel knap zelfs. Toen landde er nóg een kraai op de andere kant van de leuning. Ook die keek naar voren, alsof hij precies wist waar de ochtend vandaan moest komen. Krieltje bleef zó stil zitten dat zelfs haar gedachten op hun tenen gingen lopen. "Volgens mij horen we er even bij," fluisterde Kluitje bijna zonder geluid. Krieltje durfde alleen maar heel klein te glimlachen. Verderop bewoog iets bij een duinrand. Een konijn stak zijn kop uit een holletje. Eerst alleen zijn neus. Toen zijn oren. Toen zijn hele lijfje. Nog een konijn kwam tevoorschijn. En nog één. Ze zaten tussen het helmgras met hun neuzen naar het licht, alsof ze wilden controleren of de dag wel netjes begon. Kerrie keek naar de konijnen alsof hij niet wist of hij hond moest zijn of standbeeld. "Goed zo," fluisterde Krieltje. Kerrie knipperde alleen. De lucht werd lichter. Niet ineens, maar laagje voor laagje. Het blauw werd zachter. Het grijs werd roze. Boven de golvende duinen kwam een dun gouden streepje. De vogels zongen nu harder. Alsof iemand heel voorzichtig de volumeknop van de duinen omhoog draaide. De kraaien bleven nog even zitten. Krieltje voelde haar hart rustig worden. Niet leeg. Niet stil. Maar warm. Alsof ze iets kreeg wat je niet in je tas kon stoppen en toch mee naar huis mocht nemen. Toen kwam de zon. Eerst een klein randje. Daarna iets meer. En ineens lag er goud op het helmgras. Op het zand. Op Kerries vacht. Op Kluitjes haren. Op Krieltjes handen. Niemand zei iets. Zelfs de kraaien niet. Een halve minuut lang leek de hele wereld te luisteren. Toen vloog de eerste kraai op. De tweede volgde meteen. De konijnen verdwenen bijna tegelijk hun holen in. Alsof iemand achter de duinen zachtjes had geroepen: "Voorstelling afgelopen." Kerrie blafte niet. Hij keek alleen verbaasd naar het lege duin, alsof iemand het toneel had opgeruimd terwijl hij net even knipperde. Krieltje bleef nog even zitten. "Was dat nou echt?" vroeg ze zacht. Kluitje keek naar de plek waar de kraaien hadden gezeten. "Volgens mij wel." Kerrie legde zijn kop tegen Krieltjes knie. Dat was zijn manier om te zeggen dat hij het ook had gezien. De duinen waren inmiddels wakker. Links, ergens achter het zand, hoorde je de zee pas goed. De lucht was licht. Er kwamen verderop mensen aan met rugzakken en ochtendbenen. Maar Krieltje wist dat zij net iets anders had gezien. Niet iets groots. Niet iets luids. Iets kleins. Iets dat alleen kwam als je vroeg genoeg was. En stil genoeg. En even deed alsof je zelf ook bij de duinen hoorde. Krieltje stond langzaam op. "Zullen we nog even het strand op gaan?" vroeg Kluitje. Krieltje knikte. Kerrie liep rustig mee. Nog steeds een beetje verbaasd. Ze liepen samen het strand op om ook nog even naar de zee te kijken. Bij de branding gingen ze zitten, nog steeds een beetje stil, maar met een glimlach op hun gezicht. Kerrie ging naast Krieltje zitten. Niet spelend. Niet springend. Niet achter golven aan. Ook Kerrie moest dit blijkbaar even verwerken. Krieltje aaide hem zacht over zijn kop. Kerrie keek naar haar op. Er waren geen woorden nodig. Alle drie voelden ze dat er iets magisch was gebeurd. En ze genoten ervan. "Zullen we teruggaan?" vroeg Kluitje. Krieltje knikte. Samen liepen ze terug naar de auto. Bij de auto keek Krieltje nog één keer achterom. Ook Kluitje en Kerrie keken even om. De duinen zagen er gewoon uit. Maar alle drie wisten ze wel beter. Soms werd de dag niet gewoon ochtend. Soms werd de dag voorzichtig uitgepakt.
