Krieltje en haar magische droom
Krieltje viel in slaap en droomde over mooie dingen. Zij droomde over haar tuin maar dan zoals zij het het liefste zag.

Krieltje en haar magische droom
Krieltje had die nacht niet zo goed geslapen. Het was veel te warm op haar slaapkamer geweest. Zelfs met het raam open en één voet buiten de deken bleef het plakkerig. Daarom was ze die ochtend heel vroeg naar de tuin gegaan. De lucht was nog zachtblauw. De zon was nog niet fel. En over de volkstuin waaide een klein koel windje. "Zo," zei Krieltje tegen Kerrie, die slaperig naast haar liep. "Eerst water." Kerrie blafte niet eens. Hij gaapte alleen heel groot, alsof hij vond dat vroeg opstaan eigenlijk verboden moest worden. Krieltje zette schalen water neer voor de katten, een lage schaal voor de insecten en een klein schaaltje bij het rommelhoekje voor de dieren die liever niet op visite kwamen maar er toch woonden. Daarna keek ze bij de planten. De bloemen stonden een beetje slap van de warmte, maar toen Krieltje de sproeier zachtjes liet draaien, leken ze meteen weer rechterop te gaan staan. "Rustig maar," zei ze. "Ik ben er al." Noa lag op haar stoel alsof die stoel altijd al van haar was geweest. Francis zat onder het tafeltje haar pootjes te wassen. Camilia keek vanuit het gras naar een vlinder en deed alsof ze helemaal niet van plan was om erachteraan te springen. Krieltje pakte haar flesje drinken uit haar tas en ging even zitten. Heel even maar. Dat dacht ze tenminste. Ze nam een slok, leunde achterover en voelde het koele windje langs haar wangen gaan. Haar ogen werden zwaar. Eerst een beetje. Toen nog een beetje meer. En zonder dat ze het merkte, viel Krieltje in slaap. Toen ze haar ogen weer opende, zat ze nog steeds in haar tuin. Maar toch ook niet. Alles leek groter. Groener. Zachter. De klaprozen wiegden zo hoog als paraplu's. De hommels droegen kleine zadeltasjes vol stuifmeel. De sloot glinsterde alsof er sterretjes in dreven. "Wauw," fluisterde Krieltje. Naast haar stond Kluitje. "Mooi, hè?" zei hij. Krieltje keek naar hem. "Ben jij hier ook?" "Natuurlijk," zei Kluitje. "Iemand moet toch kijken of alles stevig genoeg gebouwd is." Achter hem kwam Kerrie aanrennen. Niet zomaar rennen, maar springen alsof hij veertjes onder zijn poten had. Francis en Camilia liepen naast elkaar over een paadje van madeliefjes. Noa zat op een grote platte steen en keek tevreden om zich heen. "Dit is een goede tuin," zei Noa. Tenminste, dat dacht Krieltje dat Noa zei. Aan de rand van de sloot zwommen vissen met glimmende schubben. Een kikker zat op een waterlelie en hield een klein parapluutje boven zijn hoofd. De veenmol liep trots in zijn blauwe tuinbroekje over een bruggetje van takjes. "Welkom!" riep hij. "Alles is hier goed graafbaar!" Toen hoorde Krieltje zacht gelach. Tussen de bloemen vlogen kleine elfjes. Ze hadden vleugeltjes als libellen en droegen jurkjes van bloemblaadjes. Eén elfje zat op de rug van een hommel en hield zich stevig vast. "Niet zo snel!" piepte ze. De hommel bromde tevreden door. Verderop stond een eenhoorn bij de appelboom. Hij was wit met een maanlichtglans over zijn rug en had een krans van klaprozen om zijn hals. Hij boog vriendelijk zijn hoofd naar Krieltje. Krieltje wist even niets te zeggen. Dat gebeurde bijna nooit. "Mag ik u aaien?" vroeg ze zacht. De eenhoorn knikte. Zijn vacht voelde warm en zacht, alsof zonlicht een dier was geworden. "Dit is precies mijn droomtuin," zei Krieltje. "Dat klopt," zei Kluitje. Krieltje draaide zich om. "Hoe weet jij dat?" Kluitje glimlachte alleen maar. Toen kwam er iemand over het pad aanlopen. "Meneer Hans!" riep Krieltje. Meneer Hans zwaaide. Onder zijn arm droeg hij een oud boek. Op zijn schouder zat Boekenworm met een brilletje op zijn neus. "Ik kwam nog even afscheid nemen," zei meneer Hans. "Maar volgens mij zit hij hier goed." Boekenworm keek om zich heen. "Uitstekend," zei hij. "Er zijn bloemen, vochtige hoekjes, rustige leesplekken en minstens drie katten die doen alsof ze niet luisteren. Perfect." Krieltje lachte. De elfjes hingen slingers van klimop tussen de bomen. De slakken maakten glanzende feestpaadjes. Kipje stond boven op de compostbak met haar vleugels wijd. "Ik kondig aan," zei Kipje plechtig, "dat deze tuin officieel wonderlijk is." "Dat was hij al," zei Noa. Kerrie sprong vrolijk in een kringetje. Kluitje zette een tafeltje recht dat een beetje scheef stond. Krieltje keek om zich heen en voelde haar hart helemaal warm worden. "Als de wereld nou eens altijd zo was," zei ze zacht. Toen werd alles heel stil. De eenhoorn keek haar vriendelijk aan. "Misschien begint zo'n wereld wel met één tuin," zei hij. Krieltje wilde vragen wat hij daarmee bedoelde, maar net op dat moment hoorde ze een stem. "Krieltje?" De tuin wiebelde. De elfjes vervaagden. De eenhoorn werd licht. "Krieltje?" Ze schrok wakker. Kluitje stond voor haar met een fles limonade in zijn hand. Kerrie zat naast hem en kwispelde zacht. Francis lag onder het tafeltje. Camilia zat in het gras. Noa lag nog steeds op haar stoel, alsof er niets bijzonders was gebeurd. "Was je in slaap gevallen?" vroeg Kluitje. Krieltje knipperde. "Ik denk het," zei ze. "Je glimlachte," zei Kluitje. "Dus het was vast geen nare droom." Krieltje keek om zich heen. De tuin was weer gewoon haar tuin. Het donkere huisje. De rode deur. De bloemen. De sloot. De katten. Kerrie. Kluitje. Geen eenhoorn. Geen elfjes. Geen hommels met zadeltasjes. Toch voelde alles anders. Alsof er nog een klein beetje droom tussen de bloemen was blijven hangen. Krieltje pakte haar flesje drinken en nam een slok. "Ik droomde dat mijn tuin precies was zoals ik hem het liefst zou willen," zei ze. Kluitje ging op de stoel naast haar zitten. "En?" Krieltje glimlachte. "Hij leek eigenlijk best veel op deze." Op dat moment vloog er een libelle langs. Heel even leek het alsof er iemand piepklein op haar rug zat. Krieltje keek. Kluitje keek ook. De libelle verdween tussen de bloemen. "Zag jij dat?" vroeg Krieltje. Kluitje nam rustig een slok limonade. "Welke van de twee antwoorden wil je horen?" vroeg hij. Krieltje begon te lachen. Noa opende één oog. En ergens bij de appelboom viel heel zachtjes een klaproosblaadje naar beneden. Alsof iemand daar net nog langs was gevlogen.
