Krieltje en Kerrie op het strand
Even geen moestuin maar lekker spelen op het strand... en nu weten we de naam van haar hond ook :)

Krieltje en Kerrie op het strand
30 juni 2026
Krieltje had haar rode laarzen vandaag thuisgelaten. Dat was al vreemd genoeg. In plaats daarvan had ze gewone schoenen aan. Handig voor onderweg, maar op het strand mochten ze uit. Ze zette ze naast haar tas, rolde haar broekspijpen op tot net onder haar knieën en stapte met blote voeten het natte zand in. Op het strand was het al wat later op de dag. Niet koud, maar ook niet echt warm. Precies goed voor wind in je haren, zand tussen je tenen en een hond die vond dat elke zandkorrel persoonlijk begroet moest worden. Die hond heette Kerrie. Zijn ruige vacht had precies de kleur van warme kerrie en zijn ogen stonden zo lief dat je bijna vergat hoeveel zand hij in één minuut kon verzamelen. Kerrie stak zijn neus in het zand, niesde drie keer en sprong achter een sliertje zeewier aan alsof het een ontsnapte draak was. Het strand was gezellig druk, her en der zaten mensen op kleedjes. Kinderen liepen met emmertjes langs de vloedlijn. Verderop renden mensen met vliegers over het zand. Er was een rode vlieger, een blauwe, eentje als een vlinder en eentje als een grote haai. Kerrie bleef stokstijf staan. De haai-vlieger dook een stukje omlaag. Kerrie deed één stap naar voren. "Nee," zei Krieltje. "We gaan geen luchthaai vangen." Kerrie keek haar aan alsof hij wilde zeggen: maar iemand moet het doen. Hoog boven de duinen zweefde een paraglider voorbij. Krieltje keek omhoog. "Wauw." Kerrie ging langzaam zitten, alsof zijn poten niet meer wisten wat ze moesten doen. "Dat zijn mensen," zei Krieltje. "Met een soort hele grote vlieger." Kerrie blafte één keer, zacht en verbaasd. Alsof hij dacht: mensen horen toch gewoon op de grond? Net op dat moment rolde er een rode strandbal voorbij. Niemand wist waar hij vandaan kwam. Hij was er ineens. Eerst langzaam, toen sneller. De wind pakte hem beet en de bal hobbelde richting de duinen. Kerrie keek naar de bal en ging er als een gek achteraan. "Rustig," zei Krieltje. "Niet kapot maken, Kerrie!" En dat deed Kerrie ook niet. Hij sprong niet boven op de bal, maar speelde er gewoon leuk mee. Hij draafde ernaast, alsof hij een belangrijke strandreddingshond was. Zijn voorpoten kwamen in een stukje mul zand terecht. Zijn achterpoten wilden nog door. Zijn oren vlogen omhoog. En toen... ploef. Daar lag Kerrie. Languit. Midden in het zand. De strandbal rolde nog een stukje verder en bleef tegen een hoop helmgras liggen in de buurt van twee kinderen. Krieltje kwam hijgend aangelopen en hurkte naast Kerrie. "Nou," zei ze en keek naar de twee kinderen. "Deze mooie jongen heet Kerrie. Alleen lijkt hij nu meer op een gepaneerde kroket." De kinderen begonnen te lachen. Kerrie tilde zijn kop op. Er hing zand aan zijn snorharen. Zijn ene oor zat scheef. Op zijn neus plakte een sliertje zeewier. Het meisje met vlechtjes keek naar hem. "Mag ik hem aaien?" Haar moeder kwam erbij staan. "Eerst vragen," zei ze zacht. Ze keek naar Krieltje. "Mag dat?" Krieltje ging naast Kerrie zitten en legde een hand op zijn rug. "Kerrie is superlief, dat zou hij alleen maar leuk vinden. Willen jullie hem even aaien?" zei Krieltje. "Hij is alleen wel vies. Er zit zeewater op. En zand. En waarschijnlijk ook een klein beetje duin." Het jongetje met de gele emmer giechelde. "Dat geeft niet," zei hij. Voorzichtig stak hij zijn hand uit. Kerrie rook eraan en gaf daarna één piepklein likje. "Hij kust mij!" riep het jongetje. "Dat doet hij alleen bij belangrijke mensen," zei Krieltje ernstig. Even later zat Kerrie in het midden van een klein kringetje kinderen. Hij bleef zo stil zitten dat hij bijna op een zandbeeld leek. Alleen zijn staart bewoog. Veeg. Veeg. Veeg. "Hij kwispelt een kuil," zei het meisje met vlechtjes. En dat was waar. Achter Kerrie ontstond langzaam een halve geul in het zand. Daarna liep Krieltje met hem naar de zee. "Kom," zei ze. "Even schoonspoelen." Kerrie liep mee tot aan de schuimrand. Toen kwam er een golfje. Kerrie sprong achteruit. "Kerrie," zei Krieltje, "je bent net languit door nat zand gegleden." Het jongetje met de gele emmer stak zijn hand op. "Ik kan wel helpen!" Hij vulde zijn emmertje met zeewater en liep voorzichtig naar Kerrie toe. "Mag ik?" vroeg hij. Kerrie ging zitten. "Hij zegt ja," zei Krieltje. Het jongetje goot een klein beetje water over Kerries poten. Daarna kwamen de andere kinderen ook met emmertjes. Rustig. Een voor een. Krieltje bleef naast Kerrie zitten en hield haar hand op zijn rug. Toen Kerrie weer een beetje hond was in plaats van kroket, schudde hij zich uit. Natuurlijk precies op het moment dat iedereen dichtbij stond. Spetter! Zand! Zeewater! De kinderen juichten. Krieltje veegde water van haar wang en moest lachen. "Kerrie toch," zei ze lachend. Kerrie keek blij, alsof enthousiasme juist zijn beste eigenschap was. Even later zaten Krieltje en Kerrie samen in het zand. De loze bal lag nog bij het helmgras te wachten op iemand die hem miste. Verderop dansten de vliegers in de lucht. Hoog boven de duinen zweefde nog één paraglider voorbij. "Nou," zei Krieltje. "Ik dacht dat we gewoon even rustig gingen wandelen." Kerrie kwispelde. De zee ruiste. En ergens verderop zei een kind: "Mama, mag ik later ook een Kerrie?" Krieltje glimlachte. Dat snapte ze wel. Sommige honden zijn niet zomaar honden. Sommige honden zijn een beetje zandstorm, een beetje kroket, een beetje zeewater... en heel veel liefde.
einde...
