Krieltje en kluitje op een tandem
Krieltje, Kluitje mogen vandaag een tandem fiets lenen. 1 fiets met 2 zadels, 2 sturen en 4 trappers. Kerrie mag ook mee in het fietskarretje. Het is even wennen en de tranen rollen van de wangen van het lachen.

Krieltje en kluitje op een tandem
Toen Kluitje op een ochtend bij Krieltje aankwam, stond er een bijzonder lange fiets voor haar huis.
Hij had twee zadels, twee sturen en twee paar trappers.
"Is dat een tandem?" vroeg Kluitje.
"Ja!" zei Krieltje trots. "Die mogen we vandaag lenen. Ik dacht dat we ermee naar Hillegom konden fietsen."
Kluitje liep langzaam om de tandem heen.
"Hij is wel héél erg lang."
"Dat hoort zo," zei Krieltje. "Anders zitten we bij elkaar op schoot."
Achter de tandem stond ook nog een fietskar. Kerrie zat er al in en keek alsof hij precies wist waar ze naartoe gingen.
"En de fietskar gaat ook mee?"
"Natuurlijk. We kunnen Kerrie toch niet thuislaten als wij een ijsje gaan eten?"
Krieltje en Kluitje zetten hun fietshelm op en controleerden de remmen, banden en koppeling van de fietskar.
"Ik ga voorop," besloot Krieltje. "Dan stuur ik."
"En wat doe ik dan?" vroeg Kluitje.
"Trappen."
"Ik kan ook heel goed sturen."
"Niet vanaf het achterste zadel."
Kluitje ging zitten en pakte zijn stuur vast.
"Zullen we?"
"Ja. Eerst allebei tegelijk beginnen. Eén… twee… drie!"
Krieltje zette af.
Kluitje nog niet.
De tandem bewoog een halve meter vooruit, slingerde naar links en stopte weer.
"Je moest trappen!" riep Krieltje.
"Ik dacht dat jij eerst zou beginnen!"
"Op een tandem moeten we samen beginnen."
Ze probeerden het opnieuw. Deze keer trapte Kluitje al bij twee en Krieltje pas bij drie. De fiets schoot naar voren. Krieltje rukte geschrokken aan het stuur en Kerrie keek vanuit zijn karretje verbaasd om zich heen.
Ze kwamen opnieuw tot stilstand.
Kluitje begon te lachen.
"Dit gaat geweldig."
"Absoluut," zei Krieltje. "We zijn al bijna aan het einde van de straat."
Ze stonden nog steeds voor haar huis.
Bij de derde poging lukte het. De tandem kwam op gang en reed zowaar recht vooruit.
"Zie je wel!" riep Krieltje.
"Links!" riep Kluitje plotseling.
"Wat is er links?"
"Niets. Ik wilde alleen even helpen met sturen."
"Jij kúnt niet sturen!"
"Dat voelt achterop heel onnatuurlijk."
Krieltje begon te giechelen. Daardoor slingerde de tandem een beetje.
"Niet lachen!" riep Kluitje.
Omdat hij dat zo ernstig zei, moest Krieltje nog harder lachen. Kluitje hield het ook niet meer vol.
"Stoppen!" hijgde Krieltje.
Ze remde voorzichtig en stapte af. Kluitje vergat dat ze nog aan elkaar vastzaten en bleef op zijn zadel zitten, terwijl Krieltje de zware tandem overeind probeerde te houden.
"Je voet op de grond!" riep ze lachend.
"Mijn voet kán niet bij de grond!"
Uiteindelijk stonden ze veilig stil. Ze hingen over het stuur en hadden buikpijn van het lachen. Kerrie stak zijn kop uit het karretje en keek hen aan alsof hij met twee heel vreemde mensen op reis was.
Na een paar minuten probeerden ze het opnieuw. Nu spraken ze alles duidelijk af.
"Beginnen!"
"Remmen!"
"Stoppen!"
Langzaam vonden ze hetzelfde ritme en reed de tandem steeds soepeler.
"Dit gaat best goed," zei Kluitje.
"Dat had je nou niet moeten zeggen," antwoordde Krieltje.
Voor hen verschenen drie gebogen metalen hekjes. Ze stonden om en om op het pad, zodat fietsers er langzaam zigzaggend tussendoor moesten.
Krieltje remde.
"Daar passen we toch wel doorheen?"
Kluitje keek naar de hekjes en daarna achterom naar de fietskar.
"Wij misschien."
"En Kerrie?"
Kerrie keek terug.
Ze stapten af en duwden de tandem voorzichtig om het eerste hekje. De voorkant paste erlangs, maar voordat de achterkant de bocht kon maken, zat het voorwiel al bijna tegen het volgende paaltje.
"Een stukje naar links," zei Kluitje.
"Dat is een struik."
"Dan naar rechts."
"Daar staat het hekje."
Ze duwden de tandem achteruit en probeerden het opnieuw. Nu kwam de tandem iets verder, maar de fietskar stond nog aan de verkeerde kant van het eerste paaltje.
Krieltje keek naar Kluitje.
Kluitje keek naar Krieltje.
Daarna keken ze samen naar hun enorm lange fiets, de fietskar en de drie keurige hekjes.
"Dit gaat nooit passen," zei Krieltje.
Even later zaten ze naast het fietspad in het gras. Iedere keer als een van hen naar de lange tandem keek, begonnen ze opnieuw te lachen. Kerrie zat nog altijd waardig in zijn karretje en wachtte geduldig tot de mensen eindelijk weer normaal deden.
"Nu hebben we echt buikpijn," kreunde Kluitje.
"En we zijn nog niet eens in Hillegom."
Ze konden terug naar huis of een flink eind omfietsen.
"Wij geven niet op," zei Krieltje.
"Pierre heeft ijs," zei Kluitje ernstig.
Dat was voldoende reden.
Ze keerden voorzichtig om en namen de langere route. Onderweg leerden ze steeds beter samenwerken. Krieltje waarschuwde wanneer ze ging remmen. Kluitje trapte rustig in hetzelfde ritme en riep alleen nog "links" als er werkelijk iets links was.
Toen ze eindelijk in Hillegom aankwamen, voelden hun benen als pudding.
Ze zetten de tandem met fietskar veilig neer en zochten een fijn plekje bij Pierre. Krieltje en Kluitje kozen allebei een groot ijsje. Voor Kerrie hadden ze water en een lekkere hondenkoek meegenomen.
"Dit hebben we verdiend," zei Krieltje.
"Zeker," antwoordde Kluitje. "We hebben minstens twee keer zoveel kilometers gefietst als nodig was."
"Maar we kunnen nu wel tandemrijden."
Kluitje keek naar de lange fiets.
"Totdat we straks weer door dat hekje moeten."
Krieltje liet bijna haar ijsje vallen van het lachen.
Gelukkig wist ze de omweg nog.
