Krieltje met Noa naar de dierenarts

09-07-2026

Wat is er toch met Noa? Ze is een beetje ziek... Maar gelukkig weet de dierenarts wel raad...

Krieltje met Noa naar de dierenarts

09-07-2026

Krieltje kwam die ochtend op haar volkstuin aan en bleef meteen staan. Er klopte iets niet. Normaal kwam Noa altijd even gedag zeggen. Soms liep ze rustig over het pad. Soms lag ze al op haar stoel alsof de hele tuin van haar was. En soms zat ze gewoon ergens te kijken alsof ze alles allang wist. Maar vandaag zag Krieltje haar nergens. "Noa?" riep ze zacht. Geen Noa. Kerrie stak zijn neus in de lucht. De rode-witte poes keek naar de struiken. De zwart-witte poes liep een paar stapjes vooruit en bleef toen staan. Toen hoorde Krieltje een vreemd, zacht miauwtje. Niet het gewone Noa-miauwtje. Dit klonk klein. En moe. Krieltje liep snel naar de struik. Daar lag Noa, half verstopt tussen de bladeren. Toen ze Krieltje zag, probeerde ze op te staan. Maar haar pootjes deden raar. Ze wiebelde, zette één stap en viel bijna om. "Och lieverd," fluisterde Krieltje. Kerrie ging naast haar zitten. De poezen stonden stil te kijken. Niemand maakte geluid. Krieltje tilde Noa voorzichtig op en hield haar dicht tegen zich aan. Normaal vond Noa oppakken maar niks. Dan kon ze heel duidelijk laten merken dat zij daar niet van gediend was. Maar nu verzette ze zich niet. En dát vond Krieltje een slecht teken. Ze legde Noa op het zachtste kussen in de fietskar en deed een handdoek over de bogen heen, zodat het een beetje donkerder werd. Noa zuchtte zacht en legde haar kopje neer. "Kerrie," zei Krieltje. "Haal Kluitje eens." Kerrie rende naar de tuin aan de overkant. Even later stond hij voor Kluitje te blaffen. Daarna liep hij een stukje terug, keek om, blafte weer en liep verder. "Is er iets?" vroeg Kluitje. Kerrie keek alsof hij wilde zeggen: kom nou maar. Kluitje ging meteen mee. In Krieltjes tuin zag hij Noa in de fietskar liggen. "O nee," zei hij zacht. "Wat is er met onze Noa?" "Ik weet het niet," zei Krieltje. "Ze valt steeds om als ze probeert te lopen. Ik ga de dierenarts bellen. Kun jij op Kerrie en de poezen passen?" "Natuurlijk," zei Kluitje. Gelukkig konden ze meteen terecht. Krieltje stopte Noa nog wat beter in. "Ik ben zo terug," zei ze tegen Kerrie en de poezen. "Kluitje past even op jullie." Kerrie zette zijn voorpoten tegen de fietskar en keek naar Noa. Noa keek even op. Heel moe. Toen legde ze haar kop weer neer. De dierenarts was niet ver weg. Dat was fijn. Krieltje fietste langzaam en voorzichtig, zodat Noa zo min mogelijk hobbelde. Bij de dierenarts mochten ze meteen naar binnen. Noa was daar al vaker geweest. Meestal vond ze de dierenarts helemaal geen goed idee. Dan moest iedereen opletten voor pootjes, tandjes en een heel duidelijke Noa-mening. Maar nu bleef ze stil liggen. De dierenarts luisterde, keek, voelde voorzichtig en onderzocht haar oren. Toen knikte ze rustig. "Noa heeft aan beide kanten een binnenoorontsteking," zei ze. "Dat doet pijn. En in het binnenoor zit ook je evenwicht. Daarom valt ze steeds om." Krieltje slikte. "Och Noa…" "Ze heeft ook koorts," zei de dierenarts. "Maar we kunnen haar helpen. Ze krijgt medicijnen, rust en warmte. Het duurt nog wel even voordat ze weer helemaal zichzelf is." "We gaan goed voor haar zorgen," zei Krieltje. Noa kreeg een prikje tegen de pijn en de ontsteking. Daarna mocht ze weer op haar zachte kussen. Krieltje belde Kluitje. "Ik ga met Noa naar huis," zei ze. "Ze mag even niet naar buiten. Ik maak mijn slaapkamer veilig voor haar." "Goed," zei Kluitje. "Ik blijf nog even bij Kerrie en de poezen." Thuis maakte Krieltje van haar slaapkamer een Noa-verzorgkamer. Er kwam een zacht kleed. Een kattenbak. Water. Eten. En kussens langs de plekjes waar Noa misschien tegenaan kon vallen. Noa keek heel even rond. Toen viel ze in slaap. Krieltje deed zachtjes de deur dicht, zodat Noa niet per ongeluk naar de trap kon. Daarna ging ze terug naar de tuin. Kluitje stond al op haar te wachten. "En?" vroeg hij. Krieltje vertelde alles. Over de ontsteking. Over haar evenwicht. Over de medicijnen. Over de slaapkamer vol zachte plekjes. "Dan gaan we maar allemaal naar huis," zei ze tegen Kerrie en de poezen. "We moeten op Noa letten." Kluitje knikte. "Ik kom vanavond wel even langs met extra kattenbakvulling en wat eten." Dat vond Krieltje fijn. Een week later liep Noa alweer door het huis. Nog niet meteen als de baas van alles. Maar wel steeds meer als zichzelf. Ze keek in hoekjes. Ze snuffelde aan de deur. Ze ging in de vensterbank zitten. En af en toe keek ze naar buiten alsof ze wilde zeggen: leuk hoor, dat huis, maar mijn tuin mist mij. De volgende ochtend wist Krieltje genoeg. "We gaan naar de tuin," zei ze. Noa zat in de fietskar alsof ze persoonlijk toezicht hield op de reis. Kerrie liep trots naast Krieltje. De rode-witte poes en de zwart-witte poes keken nieuwsgierig om zich heen. Bij de tuin aangekomen sprong Noa voorzichtig uit de kar. Ze keek naar het pad. Naar haar stoel. Naar de struiken. Toen maakte ze een klein sprongetje. En nog één. Niet zo hoog als een kitten. Maar wel vrolijk genoeg. Krieltje glimlachte. "Ze is er weer," zei ze zacht. Kerrie kwispelde. De poezen keken tevreden. En Noa liep met opgeheven staart door de tuin. Ze had duidelijk veel te controleren. Want als je een week ziek bent geweest, moet je natuurlijk wel even kijken of de tuin zich zonder jou behoorlijk heeft gedragen.

Share