Krieltje en de open dag
Oei spannend... open moestuindag vandaag... iedereen staat al op de afgesproken plek te wachten op bezoekers. Wat zullen ze van de tuin vinden???

Krieltje en de open dag
15-07-2026
Het was zover. Open dag op het moestuincomplex. Krieltje stond vroeg in haar tuin met een kop thee in haar handen. Ze keek om zich heen. Het donkere groene huisje met de rode deur stond er gezellig bij. De klaprozen wiegden zachtjes. De bijen bromden tussen de bloemen. De slakken deden alsof ze op tijd waren. En Noa lag midden op het pad, precies op de plek waar straks mensen zouden lopen. "Noa," zei Krieltje. "Je ligt in de route." Noa opende één oog. Dat was alles. Kluitje kwam het tuinhekje binnen met een mandje broodjes. "Goedemorgen," zei hij. "Ben je zenuwachtig?" "Nee hoor," zei Krieltje. Op dat moment schoof ze per ongeluk haar thee van het bankje. Kluitje keek naar de plas thee op de grond. "Een beetje misschien," zei Krieltje. Kerrie kwam vrolijk aangerend met zijn rode bandana scheef om zijn nek. Francis en Camilia zaten keurig naast elkaar op de tuinstoel, alsof zij de ontvangstcommissie waren. "Goed," zei Krieltje. "Nog één keer de afspraken. Mensen mogen kijken, vragen stellen en genieten. Maar niemand hoeft zich mooier voor te doen dan hij is." De eerste bezoekers kwamen eraan. Een mevrouw met een strohoed bleef staan bij het bordje naast de bloemen. "Niet netjes, wel nodig," las ze hardop. "Dat is voor de insecten," zei Krieltje. "Daar mogen dorre stengels blijven staan. En blaadjes. En alles wat iemand anders misschien rommel noemt." Een jongetje keek tussen de planten. "Woont daar iets?" Op dat moment stak de veenmol zijn kop uit de aarde. Hij droeg zijn blauwe tuinbroekje en had een piepklein harkje vast. "Goedemorgen," zei hij beleefd. Het jongetje deed zijn mond open. Krieltje glimlachte. "Dat is onze veenmol. Hij helpt onder de grond." "Ik dacht dat veenmollen eng waren," fluisterde het jongetje. De veenmol keek beledigd naar zijn tuinbroek. "Eng?" zei hij. "In deze outfit?" Het jongetje begon te lachen. "Nee. Eigenlijk niet." Bij de compostbak stond Kipje al klaar. Ze had zichzelf benoemd tot rondleider. "Hier gebeurt magie," zei Kipje plechtig tegen drie bezoekers. "Eerst is het oud blad. Dan wordt het compost. Dan groeit er iets lekkers. Of iets dat zogenaamd niet lekker is, maar waar slakken heel blij van worden." Een slak naast haar knikte langzaam. "Klopt," zei hij. "Wij zijn voorstander." Toen gebeurde er iets bij de tafel met limonade. Kerrie had ontdekt dat kinderen soms kruimels lieten vallen. Hij ging er niet zomaar op af. Nee, hij ging netjes zitten. Heel recht. Heel braaf. Met ogen zo groot als ronde knikkers. Een meisje keek naar hem. "Mag hij een klein stukje koek?" "Een heel klein stukje mag," zei Krieltje. "Maar Kerrie hoeft natuurlijk niet de hele open dag op te eten." Kerrie kreeg één kruimeltje. Daarna zat hij bij elk kind. Heel recht. Heel braaf. Met steeds grotere knikkerogen. "Volgens mij heeft Kerrie ook open dag," zei Camilia. Francis waste haar poot. "Hij noemt het vast kruimeldag." Bij het rommelhoekje stonden twee oudere mensen te kijken naar een stapel takjes, bladeren en stenen. "Laat je dat expres liggen?" vroeg de vrouw. "Ja," zei Krieltje. "Voor kevers, pissebedden, egels, spinnen en iedereen die een schuilplek nodig heeft." Precies op dat moment kwam de rat voorzichtig tevoorschijn. Hij had voor de open dag een klein net strikje omgedaan. Hij ging keurig rechtop zitten en streek met zijn pootje langs zijn snorharen. De vrouw deed een stapje achteruit. "O," zei ze. "Een rat." De rat keek naar de grond. Krieltje zag het meteen. "Ratten hebben niet zo'n goede naam," zei ze rustig. "En het klopt dat je ze niet moet aaien of knuffelen. Je moet ook geen voer laten slingeren op plekken waar je ze liever niet wilt hebben. Daar worden het er te veel van." De rat knikte ernstig. "Maar," zei Krieltje, "dat betekent niet dat hij vies wil zijn. Hij is gewoon een dier dat een plek zoekt." De rat ging iets rechter zitten. "Ik graaf tunnels," piepte hij beleefd. "Maar ik begrijp dat dat onder de tegels niet handig is." "Precies," zei Krieltje. "Daar zakken mijn stenen van scheef." De rat wees met zijn pootje naar de achterkant van de tuin, in de buurt van de sloot. "Daar is zachte grond," zei hij. "Misschien kan ik daar mijn gangen maken?" Krieltje dacht even na. "Dat lijkt me een veel beter plan," zei ze. "Achter in de tuin, bij de sloot. Niet bij het huis. Niet onder het pad. En niet bij het eten." De rat boog netjes. "Afgesproken," zei hij. De vrouw keek nog eens naar hem. Naar zijn strikje. Naar zijn ernstige snorharen. "Wat heeft hij eigenlijk mooie snorharen," zei ze zacht. De rat glimlachte trots. "Dank u," piepte hij. Aan het eind van de middag zaten Krieltje en Kluitje op het bankje voor het huisje. De bezoekers waren weg. De tuin was niet netter dan vanochtend. Misschien zelfs een beetje rommeliger. Noa lag nog steeds op het pad. Kerrie had kruimels in zijn snor. Kipje vertelde voor de derde keer over compost. De veenmol poetste zijn harkje. En de rat zat tevreden bij het rommelhoekje met zijn strikje nog keurig recht. Krieltje keek om zich heen. "Het was niet perfect," zei ze. "Nee," zei Kluitje. "Gelukkig niet." Krieltje glimlachte en schreef in haar tuinschrift: Een tuin hoeft niet netjes te zijn om bijzonder te zijn. Als iedereen een plekje krijgt, wordt het vanzelf mooi.
